Oma vertelt: dictee en werkwoordspelling op de lagere school

Oma vertelt: dictee en werkwoordspelling op de lagere school. Uitgelichte afbeelding

Wat ik me herinner van de taalles op de lagere school: schrijven, schrijven en nog eens schrijven. We hadden een kladschrift en een netschrift. Beide schriften lagen in de ruimte onder je schooltafeltje, het zogenaamde vak. In dat vak lagen ook je leesboekje, je taalboek, je etui en dus je taalschriften. Ik denk me te herinneren dat je in het kladschrift met potlood mocht schrijven en in het netschrift met balpen. Daar ben ik niet meer zeker van. Wel herinner ik me de puntenslijper op de tafel van de meester. Die zat met een schroef vast aan de tafelrand. Je kon je potlood in een soort mondje met mesjes steken en aan een hendel draaien. Je potlood werd dan vlijmscherp geslepen, maar ook steeds korter, wat dan weer niet de bedoeling was want in die tijd moest je heel zuinig zijn op je schoolspullen.

Dictee

Het cijfer voor taal op je rapport werd voornamelijk gebaseerd op hoeveel of hoe weinig fouten je maakte in je dictee. Dictee was dus heel belangrijk. Eerst moest je een les uit je taalboek doorlezen, opschrijven in je kladschrift. Dan was je al een heel tijdje bezig. Was iedereen klaar met schrijven in het kladschrift? Dan ging meester de zinnen die je net had opgeschreven dicteren. Wat de meester dicteerde moest je dan opschrijven in het netschrift. Het idee hierachter was, denk ik, dat je de tekst nog in je hoofd had, omdat je net nog alles in je kladschrift had geschreven. Het was al met al een tijdrovende, saaie bezigheid. Zo kregen we de tijd wel vol…

Werkwoordspelling

Toen ook al en nu nog steeds: werkwoordspelling is een van de moeilijkste onderdelen van de Nederlandse taal. Wanneer krijgt een werkwoord aan het eind een ‘d’, wanneer een ‘t’, wanneer een ‘dt’? Onze meester van de 3e en 4e klas had daar een ezelsbruggetje voor. Hij schreef op het bord: “Ik lust geen thee”, zonder verdere uitleg. Huh? Interessant hoor. Maar het had een reden. Hij wilde ons duidelijk maken dat er achter het werkwoord geen ‘t’ wordt geschreven als ‘ik’ het onderwerp is. Daarmee was de verwarring natuurlijk compleet, want… dan zou hij toch moeten schrijven “ik luS geen thee?” Waarom stond er dan “ik lusT”? Snap je het nog? Nou, de meesten van ons toen niet. En, aan de huidige spelling van werkwoorden te zien, nu nog steeds niet.

 

Hoe zit het met jouw werkwoordspelling? Weet jij wel hoe het in elkaar zit?

 

Heb jij ook mooie, bijzondere of grappige herinneringen aan jouw Schooltijd, zet ze dan nu op SchoolBANK. Wil je liever nog meer verhalen lezen over toen & nu? Klik dan hier voor het volgende verhaal!

SchoolBANK redacteur Marianne avatar

SchoolBANK redacteur Marianne

Marianne Wintermans-Koster (1950). Houdt van dieren, lezen, koken, gras maaien en… schrijven. Organiseert graag vegetarische etentjes voor familie, vrienden en bekenden. In augustus 2020 geeft uitgeverij Boekscout haar eerste boek Weg van huis uit. Heeft er al heel wat levensjaren op zitten maar haar geheugen is (nog) prima. Gaat zo maandelijks mogelijk uit haar geheugen putten voor een verhaaltje ‘uit de oude doos’. Wenst de lezers veel herkenning en/of verwondering bij het lezen van haar blogs.

Reacties 1
mieke Keur avatar
mieke Keur

2020 M11 28 10:35:08

Nederlandse taal was altijd al mijn ding en dit kwam waarschijnlijk omdat ik alles goed begreep. Het is alleen moeilijk uit te leggen omdat onze taal niet consequent is. Die vele uitzonderingen in de grammatica zijn vaak niet te verklaren aan iemand die bijv. onze taal nog leren moet. Ik denk dat ik een meester had die dit goed kon, maar je moet er ook een gevoel voor hebben en zeker zin!

Toen ik vijf jaar oud was, ging ik een jaar naar de kleuterschool. Nonnen gaven daar les en alles was streng en weinig liefdevol, dat weet ik nog wel. In 1960 ging ik naar de eerste klas lagere school en in 1966 had ik mijn zes jaren erop zitten en begon mijn middelbare schooltijd na de zomervakantie.
Ik heb weinig tot geen herinneringen aan de eerste drie klassen, maar vanaf de vierde klas kwam ik bij meester Franken en die hield ik t/m klas zes. Hij was al een oudere man en ik zie hem nog zó voor me met zijn witgrijze haar en donkere bril.
We hadden vaak dictee en dan moest ik naar voren komen om het hele dictee achter het bord te schrijven. Na afloop klapte hij het bord dan om en kon de hele klas het dictee dan meelezen om te corrigeren of te zien wat ze fout hadden gedaan. Mijn dictee was namelijk altijd foutloos, tot op die ene keer…..en daarom zal ik die fout nooit vergeten! Het ging om het woordje ‘perziken’ (fonetisch perzieken’ als je het uitsprak??) en je raadt het waarschijnlijk al…ik schreef het eerst goed, maar toen ik alles nog snel doorlas keek ik er zo gek tegenaan dat ik er ‘perzikken ‘ van maakte.
“AAAAAAAh”, zei hij alleen, keek me aan en zei : ” Eindelijk een fout! Je moet nooit verbeteren als je twijfelt, want je had het eerst goed. Meestal is jouw eerste automatische antwoord het beste. Alleen als je echt een schrijffout hebt gemaakt waar je niet aan twijfelt moet je verbeteren.”

Inderdaad, wij hadden ook een kladblok en een net schrift, maar alleen in de eerste jaren toen je het schoonschrijven nog echt moest oefenen, of om sommen uit te rekenen. Omdat ik ook graag tekende, vond ik dit heerlijk om te doen…zo mooi mogelijke letters schrijven die allemaal even lang waren en dezelfde kant op gingen. Ik heb nu nog steeds een mooi handschrift, dus het heeft geen windeieren gelegd bij mij. Jammer dat het eruit is gegaan, maar begrijpelijk in deze snelle tijd waarin we leven. Ergens ook maar goed, want de handschriften tegenwoordig zijn meestal niet meer te lezen. Logisch als er alleen nog maar getypt wordt!

We hadden ook potloden om mee te schrijven op het kladblok of om mee te tekenen en de puntenslijper stond bij de leerkracht op tafel. Je moest dus steeds vragen om te mogen slijpen en nooit zomaar naar voren lopen om dit te doen.
Met een ballpoint mochten we niet schrijven….de kroontjespen was daarvoor bestemd. We hadden inktpotjes in de banken en moesten ook een inktlap hebben om de pen aan af te vegen. Meestal was dit een stapeltje stoffen lapjes die aan elkaar genaaid waren in het midden. Schrijven met een kroontjespen was al een kunst op zich… even iets te hard drukken en alles was verpest! Je moest ook als meisje geen lange vlechten hebben, want die pasten prima in een inktpotje. Jongens vonden dit altijd erg leuk hahahaha…… Je moest altijd erg opletten niet ontspannen achterover te leunen, want dan konden ze erbij. Geen van de heren wist dan wie de dader was uiteraard. Ook moest je altijd opletten dat de vlechten niet op je rug hingen, maar je ze van voren in de gaten kon houden. Pas op de middelbare school hadden we een ballpointpen om mee te schrijven… wat een genot!

?