Met hoog opgetrokken knieën lag hij behaaglijk onder een berg dikke dekens. Voordat zijn moeder het stompje kaars uit
Lees verder >
Uit het hoofd leren. Geen probleem. Bijbelversjes leerde je op zondag in de kerk, om die dan op maandagochtend tijden
Lees verder >
In een pauze op een mooie zonnige ochtend bleef ik met twee jongens in het lokaal achter van mijn groep 8, waar we he
Lees verder >
Ik heb mijn jeugdliefde weer gevonden via Schoolbank.nl. Ik stond al een tijdje geregistreerd en kreeg een mail omdat
Lees verder >
Nog geen jaar geleden kreeg ik via schoolbank.nl een kattebelletje van een klasgenoot? "Volgens mij zat jij bij mij i
Lees verder >
Heb jij zelf ook een leuk, mooi, spannend, grappig of ontroerend verhaal te vertellen? Aarzel dan niet langer en plaats dit op de site, deel het met de redactie en misschien staat jouw verhaal binnenkort hier!
Met hoog opgetrokken knieën lag hij behaaglijk onder een berg dikke dekens. Voordat zijn moeder het stompje kaars uitblies en hem alleen liet, had hij gezien hoe het licht van het vlammetje schitterde in duizenden ijskristallen aan het hout van het schuin toelopende zolderdak. Nu, in het donker, voelde hij hoe zijn adem aan de rand van de dekens bevroor. Het vriest écht dat het kraakt, dacht hij. Hoe houden al die mensen zonder hout voor de kachel het uit. In gedachten zag hij de, in die hongerwinter kaal gekapte, hard-bevroren weg achter hun dorp, waar zelfs de stronken met wortel en al waren uitgegraven. Overdag trokken daar magere mensen langs uit de stad op fietsen met massief houten banden en een karretje er achter. Op weg naar boerderijen, in de hoop wat voedsel te krijgen of te kunnen ruilen tegen familiejuwelen. Ondanks de kou waren ze slecht gekleed want hun mooie kleren hádden ze al geruild voor eten. Sommigen trokken helemaal naar Groningen en Drenthe, had zijn vader verteld.
Hij had die avond pannenkoeken van suikerbietenpulp gegeten met stroop die eerst van die bieten was gemaakt. Een paar weken eerder had zijn vader de laatste kip geslacht en het was hem opgevallen dat hij later met een spade in het nachthok van de kippen had staan graven en hem had weggestuurd toen hij ontdekte dat hij hem door een kier van de schuurdeur stond te bespieden. Later zou hem duidelijk worden wat zijn vader daar had gedaan.
Dank zij de hulp van veel boeren in het dorpje aan de Oude Rijn stierf hier niemand van de honger. Hij had wel gehoord dat mensen in de stad bloembollen aten. Hier wist hij dat kennissen van zijn ouders uit de depots van Duitse soldaten aardappels stalen. Met levensgevaar voeren ze, toen de Rijn nog niet dichtgevroren was, naar de gevorderde vetfabriek die vol lag met aardappels en aan de waterkant slecht werd bewaakt.
Duitse soldaten die tegenover café Van der Nagel in de Brugstraat voor een in beslag genomen pakhuis op wacht stonden, verruilde soms een half uurtje de vrieskou voor een paar stevige borrels uit een zuinig bewaarde fles in het café. Kameraden van de kroegbaas kregen daardoor de gelegenheid manden vol aardappels uit het pakhuis te slepen. En af en toe waren er de wonderbaarlijke spijzigingen in het huis van de familie Van der Louw aan de overkant van de Rijn waar dan vijftien tot twintig mensen op de grond gezeten gulzig slurpten van de erwtensoep die de familie op de één of andere manier had weten te bereiden. Hij huiverde bij de gedachte aan de vele plaatsgenoten die in de kou zaten omdat ze geen kans zagen ergens wat brandbaars te ritselen en geen oud papier meer hadden om er via een proces van weken en drogen, ballen van de kneden die vrij lang in de kachel bleven gloeien en de felle koude nog een beetje verdreven.
Plotseling bekroop hem, zoals vaker, een hevig verlangen naar een reep chocolade. Hij had er geen flauw idee meer van hoe dat smaakte. Terwijl hoog boven hem in de donkere nacht het geronk klonk van vliegende forten op weg naar Duitsland trok hij de dekens met randen bevroren adem er aan, helemaal over zijn hoofd en viel in slaap.
De bezetting door Duitse soldaten vier jaar eerder, hij was toen negen jaar, was voor hem en vele van zijn vriendjes begonnen met een mengeling van angst, spanning en nieuwsgierigheid. Zijn wereldje was nog te klein om de gevolgen van de oorlog te kunnen bevatten. Daarom was hij vrolijk en vol belangstelling op zijn klompen naar de Withenlustschool gewandeld toen daar de eerste Duitse soldaten hun intrek namen en juist in grote ketels het soldatenmaal hadden klaargestoomd. Het waren leden van de Wehrmacht, die niet de angstwekkende uitstraling hadden van de Waffen SS, of erger nog, de Gestapo die later in het dorp kwamen.
De eerste soldaten in de Withenlustschool hadden een vriendelijk indruk gemaakt en hij was dan ook, na hen enige tijd bekeken te hebben, enthousiast naar huis geklepperd waar hij zijn indrukken samenvatte met de zin: “Ik kan ze niet verstaan, maar ze lachen net als wij en als u een pannetje meegeeft, krijg ik soep!”. Maar zijn ouders corrigeerden zijn geestdrift voor het nieuwe aspect in zijn jonge leven krachtig met een verbod op elk verder contact met de bezetter. Hij moest voor eens en altijd onthouden: "Het zijn onze vijanden van wie je de ergste dingen kunt verwachten, ook al lachen ze net als jij!"
Zij hadden gelijk gehad, dacht hij voordat hij in het krakende ledikant onder het spits toelopende zolderdak in slaap viel, want dat was al spoedig gebleken door de gewelddadige dood van zijn oudere plaatsgenoot uit de Brugstraat. Die was op een zaterdagavond teruggekomen van zijn meisje in Kamerik en vlak bij huis, het was een paar minuten vóór het tijdstip dat niemand meer buiten mocht, langs een Duitse wachtpost fietsend, neergeschoten omdat hij een bevel te stoppen negeerde. De volgende dag stierf hij in een Gouds ziekenhuis. Het bericht over de dood van de jongen ging als een schokgolf door het dorp. Als er al sprake was geweest van enige tolerantie was daar nu een abrupt einde aan gekomen. Voor bijna alle dorpsgenoten behoorden ook de 'aardige' Duitse soldaten in één klap tot de gevreesde vijand.
Angst nestelde zich in alle hoeken van het dorp. Vooral toen ook hier de geruchten doordongen van de gruweldaden die de nazi’s pleegden in kampen als Amersfoort en Westerbork en hoewel begrippen als Dachau en Auschwitz bij de meesten nog onbekend waren ging er een schok van verbijstering en verontwaardiging door het dorp toen een joods gezin, óók uit de Brugstraat, werd weggehaald en bij een overval op de boerderij van Kaptein aan de Ziende, joodse onderduikers werden opgepakt. “Die zie je nooit meer terug”, wisten de volwassenen toen al.
Dichter bij huis maakten de dorpsbewoners kennis met de gruwelijke praktijken van de nazi’s. De verplichting in Duitsland te gaan werken en de wegvoering van joden en andere in het oog van de bezetters ongewenste mensen leidden ertoe dat velen onderdoken. Zij werden geholpen door de Landelijke Organisatie voor Onderduikers. Een “zusterorganisatie” ervan vormden de landelijke knokploegen, waarvan de leden gewapende overvallen pleegden op distributiekantoren waar ze bonkaarten buit maakten voor de onderduikers, wapendepots overvielen en sabotagedaden pleegden.
Dit illegale verzet werd van wapens en ander materiaal voorzien door droppings uit van Engeland komende vliegtuigen. Dat gebeurde ook ten noorden van de Rijn in de polders tussen Alphen en Zwammerdam waar een regionale verzetsgroep actief was onder leiding van de 24-jarige boerenzoon Pieter Doelman. Hij verstopte de boven de landerijen gedropte wapens op de boerderij van zijn vader.
Kort na de hongerwinter, begin maart 1945, kwam ’s nachts één van de containers met wapens buiten het droppingterrein terecht. Toen die bij daglicht werd opgehaald meldde een ooggetuige dit bij de Wehrmacht. Er volgde een overval op de boerderij. Pieter, zijn vader (48), de Zwammerdamse Dirk van Ommering (22) en de van elders komende, ook tot de verzetsgroep behorende Dedelef Pronk (22) werden weggevoerd. De drie jongemannen werden op 12 maart in Rotterdam gefusilleerd. Vader Doelman werd op 6 april, eveneens in Rotterdam, doodgeschoten.
Zwammerdam was diep geschokt. Buiten enkele ingewijden wist niemand van het bestaan van deze verzetsgroep af. Pas veel later werd bekend dat Pieter Doelman en zijn vrienden vele verzetsdaden hadden gepleegd die de bezetter belangrijke schade hadden toegebracht en waarbij gevangen genomen strijders waren bevrijd. Op de begraafplaats van Zwammerdam staat een gedenkteken met hun namen en de tekst: “Ter nagedachtenis aan onze commandant, zijn vader en onze twee vrienden. Van hun naaste Zwammerdamse medewerkers”.
Een maand na de overval was de bevrijding een feit. Vader nam zijn zoon mee naar het nachthok van de kippen en groef twee rood-wit-blauw geverfde klompen op waarmee zoonlief trots als een pauw naar het dorpsplein liep waar hij heel Zwammerdam, inclusief de burgemeester en de dorpsarts arm in arm zag dansen op ergens vandaan getoverde muziek. Een paar dagen later trokken militaire colonnes van de bevrijders over de weg achter het dorp richting Den Haag. De weg was boomloos en verwaarloosd, maar hij lag met enkele vrienden onder een stralende zon in het weer groene gras, zwaaiend naar de bevrijders, toen er vanaf één van de tanks een in zilverpapier glanzend pakje naar hen werd toegeworpen. Samen deelden ze de eerste chocolade na de oorlog. Het smaakte véél bitterder dan hij had verwacht.
Dit verhaal is ingestuurd door A.G. Pijnsse van der Aa op 7 mei 2010.